Het storten van de waarborgsom van € 100.000 is 1 van de voorwaarden voor toelating door de NAU (tenzij uitgezonderd). In de wet staat dat de waarborgsom moet worden gestort bij de aanvraag van de toelating. De NAU laat weten hoe ze hiermee omgaan.
Inmiddels is bekend geworden dat de waarborgsom moet worden gestort voordat de behandeling van de aanvraag wordt afgerond, maar niet al bij de indiening van de aanvraag in mei of juni 2027. De NAU zal pas na de inhoudelijke behandeling van de aanvraag om storting van de waarborgsom vragen. Na ontvangst daarvan zal de uitlener worden toegelaten.
Dit betekent het volgende:
Uitleners die in mei of juni 2027 toelating aanvragen met een SNA-keurmerk (in plaats van een inspectierapport), moeten naar verwachting voor 1 januari 2028 de waarborgsom storten, tenzij zij zijn uitgezonderd.
Uitleners die zonder SNA-keurmerk de toelating aanvragen en dus met een inspectierapport moeten aantonen dat zij aan het normenkader voldoen, hoeven de waarborgsom pas daarna te storten, tenzij zij zijn uitgezonderd. Dit zal in de meeste gevallen na 1 januari 2028 zijn.
Waarom pas op dat moment?
De belangrijkste reden hiervoor is dat de periode waarin de waarborgsom bij de NAU mag worden aangehouden, is gekoppeld aan de duur van de toelating: 4 jaar. Een eerdere storting van de waarborgsom, al bij de aanvraag van de toelating, zou deze periode waarin verhaal mogelijk is beperken, wat volgens de NAU ten koste zou gaan van de effectiviteit van de waarborgsom. Verhaal op de waarborgsom is namelijk alleen mogelijk bij een toegelaten uitlener.
De keerzijde hiervan is dat het doel van de waarborgsom om de vluchtigheid van het ondernemerschap aan te pakken pas later effect zal hebben omdat uitleners zonder SNA-keurmerk, die niet zijn uitgezonderd, op grond van de overgangsregeling een lange periode actief kunnen blijven.






